inloggen voor skion leden | links | vacatures | disclaimer

 
Behandeling van Hodgkin lymfoom

Informatie over het EuroNet-PHL-C1 protocol voor ouders en patiënten

Introductie
Er zijn twee vormen van de ziekte van Hodgkin: de klassieke vorm en de nodulaire lymfocyten rijke vorm (nodulair paragranuloom). De klassieke vorm van de ziekte van Hodgkin komt het meest voor en wordt gekenmerkt door lymfklierzwellingen voornamelijk gelokaliseerd in de hals en in het mediastinum. Daarnaast hebben de patiënten in ~40% B-symptomen (nachtzweten, gewichtsverlies > 10% in de voorafgaande 6 maanden of onverklaarbare koorts). Afhankelijk van de uitgebreidheid van de ziekte en de aan- of afwezigheid van de B-symptomen worden patiënten ingedeeld in een bepaald stadium (I - IV). De standaard behandeling van de ziekte van Hodgkin bestaat uit chemotherapie, al of niet in combinatie met radiotherapie. Bij veel patiënten worden daarmee zeer goede resultaten bereikt (overleving van > 90%), maar deze behandeling heeft ook een keerzijde in nadelige korte en lange termijn effecten.

Opeenvolgende onderzoeken van de Duitse (GPOH-HD) studie groep en ook de Amerikaanse studiegroep (COG) hebben getracht deze lange-termijn bijwerkingen te verminderen door zowel dosisvermindering van cytostatica als vermindering van de radiotherapie in te voeren, doch met behoud van dezelfde goede overlevingskansen. Binnen het framework van de Europese EuroNet-PHL groep wordt dit concept verder uitgebouwd. Het EuroNet-PHL-C1 protocol is daar een voorbeeld van.

In dit zelfde protocol is ook een behandelschema opgenomen voor die patiënten die een recidief of progressie van het Hodgkin lymfoom krijgen tijdens of na de behandeling. Uit eerdere studies blijkt dat duur van de eerste remissie (de tijd tussen het verdwijnen en terugkeer van de ziekte van Hodgkin) een significant prognostische factor is. Mede afhankelijk van de eerste lijns behandeling kunnen patiënten die een vroeg recidief (binnen 1 jaar na stop therapie) of progressie van ziekte (tot drie maanden na stop therapie) hebben in aanmerking komen voor hoge dosis chemotherapie en aansluitend een autologe stamcel transplantatie. Ook in dit behandelschema zal de respons op therapie met behulp van een FDG-PET scan gemeten worden.

Doelstellingen
Het doel van de studie in dit protocol is om bijwerkingen te verminderen van de medicijnen (chemotherapie). Een deel van de medicijnen, waarvan we weten dat ze schadelijk kunnen zijn, vervangen we door andere medicijnen. Het tweede doel is de effecten van de bestraling te meten.

Welke patiënten krijgen deze behandeling?
Patiënten met de klassieke vorm van de ziekte van Hodgkin, of recidief (terugkeer van ziekte), in de leeftijd van 0 tot 18 jaar.

Risicogroepen
Op basis van het stadium (uitgebreidheid van de ziekte van Hodgkin) en het voorkomen van B-symptomen worden de patiënten ingedeeld in drie verschillende groepen. Dit zijn laag stadium, vergevorderd stadium en een stadium er tussen in, het zogenaamde intermediaire stadium. Voor iedere groep is er een andere behandeling.
Patiënten met een recidief van de ziekte van Hodgkin worden in drie groepen ingedeeld, wat mede gebaseerd is op de tijd tussen eerste behandeling en recidief (duur van de eerste remissie). De drie groepen zijn: 1. laat recidief (> 1 jaar na stoppen behandeling), 2. vroeg recidief of laat recidief na intermediair of vergevorderd stadium en 3. progressie van de ziekte, d.w.z. de ziekte is nooit helemaal weg geweest. Ook voor deze drie groepen zijn drie behandelgroepen.


Behandeling
Voor elke behandelgroep geldt dat ieder kind begint met twee chemotherapie kuren met een combinatie van de medicijnen Prednison, Vincristine, Doxorubicine en Etoposide. Deze kuur noemen we OEPA. Na twee kuren volgt een zogenaamde respons (effect) bepaling, welke wordt gemeten met behulp van een FDG-PET scan. Patiënten met een laag stadium krijgen op basis van de uitslag van deze scan wel of geen radiotherapie.
Na deze twee kuren worden de patiënten in behandelgroep 2 en 3 gevraagd om mee te doen aan een randomisatie (loting) tussen kuren die we COPP en COPDAC noemen. Deze loting is belangrijk om vast te stellen of we COPP kunnen vervangen door COPDAC. Deze laatste behandeling geeft een kleinere kans op vruchtbaarheidsproblemen. Om vast te stellen dat de effectiviteit van de behandeling niet vermindert door deze COPDAC kuur worden deze twee behandelingen met elkaar vergeleken. De patiënten worden door deze loting in twee groepen gedeeld zodat ze goed met elkaar vergeleken kunnen worden.
De behandelend arts en de onderzoekers hebben geen invloed op de uitslag van de loting.
COPP bestaat uit de medicijnen Prednison, Procarbazine, Vincristine en Cyclophosphamide.
COPDAC bestaat uit de medicijnen Prednison, Dacarbazine, Vincristine en Cyclophosphamide.
Patiënten met een intermediair stadium krijgen, afhankelijk van de loting, 2 kuren COPP of 2 kuren COPDAC. Daarna krijgen ze op basis van de uitslag van de eerdere PET-scan wel of geen radiotherapie.
Patiënten met een vergevorderd stadium krijgen, afhankelijk van de loting, 4 kuren COPP of 4 kuren COPDAC. Daarna krijgen ze op basis van de uitslag van de eerdere PET-scan wel of geen radiotherapie.

De behandeling van patiënten met een recidief is anders dan de eerdere behandeling. Alle kinderen krijgen twee kuren chemotherapie:
Kuur één heet kortweg IEP en bestaat uit de medicijnen Ifosfamide, Etoposide en Prednison.
Kuur twee heet kortweg ABVD en bestaat uit de medicijnen Adriamycine, Bleomycine, Vinblastine en Dacarbazine.
Hierna krijgen alle kinderen een röntgen- en bloedonderzoek en eventueel een PET scan. Daarna geldt voor iedere risicogroep een andere aanpak. Risicogroep 1; Deze kinderen vervolgen de behandeling met nog een IEP en ABVD kuur. De behandeling wordt afgesloten met lokale bestraling (radiotherapie).
Risicogroep 2; Deze kinderen vervolgen met: of twee kuren IEP en ABVD gevolgd door radiotherapie, of hoge dosis chemotherapie gevolgd door beenmergtransplantatie en zo nodig radiotherapie. Risicogroep 3; Deze kinderen vervolgen met nog twee kuren IEP en ABVD. Daarna een hoge dosis chemotherapie, gevolgd door beenmergtransplantatie. Blijkt er nog resttumor aanwezig (aangetoond met een PET scan) na de beenmergtransplantatie dan volgt nog bestraling (radiotherapie).

Aanvullend onderzoek
Bij dit behandeladvies wordt op dit moment geen aanvullend wetenschappelijk onderzoek verricht.

Start datum inclusie: 30-04-2011
Geplande einddatum inclusie: 29-4-2015
Contactpersoon: dr. A. Beishuizen, voorzitter protocolcommissie M. Hodgkin
E-mail: info@skion.nl


Naar de printversie van deze pagina