Diagnostiek (onderzoek) in het ziekenhuis

Deze informatie is geschreven voor ouders / verzorgers van kinderen, bij wie mogelijk sprake is van een kwaadaardige ziekte (kanker). We leggen uit welk onderzoek (diagnostiek) we doen en waarom.

Waarom is onderzoek nodig?
Als we denken dat een kind een kwaadaardige ziekte kan hebben, willen we zo snel mogelijk zekerheid. Uw arts plant dan verschillende onderzoeken. We vertellen u van te voren welke onderzoeken we willen gaan doen en u kunt bij de meeste onderzoeken aanwezig zijn. De onderzoeken zijn belangrijk om precies uit te zoeken welke ziekte uw kind heeft en in welk stadium de ziekte is.

Pas als we dat weten kunnen we starten met de juiste behandeling. De onderzoeken doen we zo veel mogelijk poliklinisch, maar vaak is het nodig om uw kind op te nemen. Materiaal en gegevens worden vaak verstuurd naar het laboratorium van de Stichting Kinderoncologie Nederland (SKION), locatie Diagnostisch Laboratorium van het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie. 

Soms heeft uw kind al onderzoeken gehad in een ander ziekenhuis voordat u werd doorverwezen naar het kinderoncologisch centrum. Die onderzoeken herhalen we alleen als daar een reden voor is, bijvoorbeeld omdat het al even geleden is dat dat onderzoek plaatsvond.


Bespreking uitkomst van onderzoeken
Meestal zal een kinderoncoloog de resultaten van de onderzoeken met u bespreken. Een kinderoncoloog is een kinderarts die zich heeft gespecialiseerd in de diagnose en behandeling van kinderen met kanker. Hij of zij bespreekt de diagnose, het opgestelde behandelplan en de genezingskansen. Ook vertelt hij over de werking en bijwerkingen van de medicijnen en allerlei andere aspecten van de behandeling, zoals de opvang en begeleiding van uw kind.


Soorten onderzoek
Hieronder leggen we uit welke soorten onderzoek er zijn, en hoe die onderzoeken uitgevoerd worden. Als u op één van de woorden hieronder klikt springt u direct naar de uitleg van dat onderzoek.

Beenmergpunctie
Biopsie
Bloedonderzoek
Lumbaalpunctie
Röntgendiagnostiek
Nucleaire scans
Urineonderzoek
Infuussystemen

Beenmergpunctie
Met een beenmergpunctie halen we beetje beenmerg uit de binnenste holte van het bot. In deze holte worden nieuwe bloedcellen aangemaakt en beenmerg ziet er dus ook uit als bloed. In dat merg kan de oncoloog zien hoeveel bloedcellen er van elke soort zijn en wat de vorm van de bloedcellen is. Een beenmergpuntie gebeurt meestal door middel van een prik in de heuprand (via de onderrug). Het is belangrijk om hiervoor goed stil te liggen. Omdat een beenmergpunctie pijnlijk is, doen we dit onderzoek onder narcose. Uw kind voelt dan niets van de beenmergpunctie.

Biopsie
Een biopsie is een (kleine) operatie waarbij we een stukje weefsel, waarvan we denken dat het kankerweefsel zou kunnen zijn, afnemen om te laten onderzoeken. De biopsie wordt meestal onder narcose (verdoving) op de operatiekamer gedaan. Vaak kijken we bij zo’n ingreep ook of de ziekte zich naar andere organen heeft uitgebreid. Soms wordt ook nog een stukje weefsel (biopt) genomen uit een ander stukje ‘verdacht’ weefsel. Als het nodig is wordt deze operatie gecombineerd met het afnemen van bloed, beenmerg en soms hersenvloeistof (liquor) voor onderzoek.

Bloedonderzoek
Bloed afnemen kan op twee manieren. Als we maar een druppeltje bloed nodig hebben voor het onderzoek, prikken we met een naaldje in de vinger. Als we één of meer buisjes met bloed nodig hebben, nemen we bloed of uit een ader (venapunctie). Bij de venapunctie wordt de huid meestal verdoofd door een pleister waarin verdovende zalf zit. Uw kind krijgt een band om arm of been om het bloed naar de afnameplek te stuwen. We prikken een hol naaldje in het bloedvat en vullen een aantal buisjes met bloed.

Lumbaalpunctie
De lumbaalpunctie wordt ook wel 'ruggenprik' genoemd. Voor dit onderzoek krijgt uw kind een ‘lichte’ narcose (roesje) en medicatie tegen de pijn, waardoor de prik over het algemeen goed verdragen wordt. Bij deze punctie wordt met een holle naald tussen twee ruggenwervels door geprikt tot in de hersenvochtruimte die daar net achter ligt. Het hersenvocht (liquor), dat door de naald naar buiten loopt, vangen we op in buisjes. Tijdens deze prik moet uw kind stil op de zij liggen en de rug zo rond mogelijk houden. Dit lukt het beste door met opgetrokken knieën en gebogen hoofd te liggen. Nadat de punctie klaar is moet uw kind nog een tijdje plat op bed liggen.

Röntgenonderzoek, echo en scan
Om beter te weten wat er met uw kind aan de hand is doen we bijna altijd Röntgenonderzoek. Hierbij worden, met behulp van röntgenstralen, foto's gemaakt van bijvoorbeeld hoofd, hart, longen, buik, armen en/of benen. Naast röntgenonderzoek kunnen ook echo's, MRI-scans en CT-scans worden gemaakt.

Een echo is een onderzoek waarbij met een speciaal apparaat geluid wordt weerkaatst en daarmee wordt door de computer een plaatje gemaakt. Bij een MRI scan gebeurt het maken van zo’n plaatje met behulp van magnetische golven.

Een CT scan werkt ook met röntgenstralen. De CT-scanner maakt dwarsdoorsneden van het lichaam, hierdoor zien we als het ware plakjes van het lichaam. Als we alle gefotografeerde plakjes achter elkaar leggen, krijgen we en driedimensionaal beeld van het lichaam.

Voor sommige van deze onderzoeken is het nodig om gebruik te maken van contrastvloeistof. Dat is een vloeistof die via een infuus in het lichaam wordt opgenomen zodat we op de foto’s de verschillende soorten weefsel beter kunnen onderscheiden.

Deze onderzoeken zijn meestal niet pijnlijk, maar soms maakt het apparaat veel herrie of is het nodig om heel erg stil te liggen. De dokter kan er soms voor kiezen om dit onderzoek - na overleg met de ouders- onder narcose te doen.

Nucleaire scans
Een nucleaire scan is een foto waarbij gebruik wordt gemaakt van een radioactieve stof. De hoeveelheid radioactief materiaal die bij deze scans gebruikt wordt, is heel klein en levert geen risico's op voor uw kind.

Bij een MIBG scan gebruiken we radioactief jodium en deze scan is alleen geschikt voor het opsporen van neuroblastoom tumoren. Het jodium wordt opgenomen door zenuwstelsel-tumorcellen (neuroblastoom tumorcellen). Van de ophoping van de radioactieve stof maken we een 'foto'. Zo kunnen de tumor en eventuele uitzaaiingen (metastasen) zichtbaar gemaakt worden.

Met een zogenaamde botscan, waarbij gebruik gemaakt wordt van radioactief technetium, kunnen we meerdere soorten tumoren opsporen.

Een PET scan maakt gebruik van radioactief suiker dat opgenomen wordt in weefsels die zeer actief zijn in het lichaam, bijvoorbeeld tumorweefsel.

Urineonderzoek
Als we denken dat uw kind een neuroblastoom heeft doen we ook urineonderzoek. We zoeken in de urine van uw kind naar de aanwezigheid van zogenaamde tumormarker-stoffen. Dit zijn stofjes in de urine die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een tumor.

De eerste bepaling vindt plaats in zogenaamde "24-uurs urine", d.w.z. urine gespaard over 24 uur. Voor vervolg urinecontroles is de ochtendplas van uw kind voldoende voor een betrouwbare meting.

Sommige voedingsmiddelen kunnen de meting van de tumormarker-stoffen verstoren. Daarom mag uw kind 24-48 uur voorafgaand aan de urineverzameling geen banaan, kiwi, ananas, walnoot eten.

Infuussystemen
- Port-a-Cath (PAC)

Voor de toediening van de medicatie gebruiken we soms een zogenaamde Port-a-Cath (PAC) of VAP (Venous Access Port). Dit is een onderhuids ingebracht reservoir (kastje) dat verbinding heeft met een bloedvat. Een chirurg plaatst dit kastje tijdens een operatie onder narcose. Door het kastje aan te sluiten op een infuussysteem met behulp van een naaldje door de huid, kunnen medicijnen veilig worden toegediend en blijven de kleine bloedvaten in bijvoorbeeld arm of hand gespaard.

Via de PAC of VAP kunnen we ook vocht, voeding en bloedtransfusies toedienen. En we kunnen er bloed voor controle uit afnemen.

Doordat het kastje natuurlijk niet iets van het lichaam zelf is, gebeurt het een enkele keer dat er bacteriën aan gaan kleven, waardoor er een ontsteking ontstaat. Dit kan soms worden bestreden met antibiotica maar meestal moet het reservoir dan verwijderd worden door de chirurg.

- Broviac of Hickmann
Een Broviac-of Hickmankatheter wordt ingebracht in een grote ader, die rechtstreeks naar het hart leidt. Het is een lange slang met 1 of 2 uiteinden, gemaakt van een zacht rubberachtig materiaal, silicone. Deze uiteinden noemen we lumen en deze komen op de borst uit het lichaam. De Broviackatheter is over het algemeen wat dunner dan de Hickmankatheter.

De katheters hebben aan het uiteinde een schroefvormig aanzetstuk. Op dit aanzetstuk kan een speciaal ontworpen dop (de bionecteur), een infuus­lijn of een injectiespuit geschroefd worden. Om de kathether zit een bandje (cuff), dat de chirurg gebruikt om de katheter onder de huid vast te zetten. De cuff voorkomt dat de katheter losraakt en dat bacteriën het lichaam van uw kind kunnen binnendringen.

Uw kind heeft een katheter nodig om medicatie en vloeistoffen rechtstreeks in het bloed toegediend te krijgen. Ook kan bloed worden afgenomen voor onderzoek via de katheter. Door de katheter hoeft uw kind niet steeds weer met een naald in de aderen te worden geprikt.

Terug naar boven

Laatst gewijzigd 22 oktober 2018