Leukemie

Acute Lymfatische Leukemie (ALL)
Acute Myeloïde Leukemie (AML)

- AML en Down syndroom

Chronische Myeloïde Leukemie (CML)


Acute Lymfatische Leukemie (ALL)

Wat is acute lymfatische leukemie (ALL)?
Leukemie is kanker van bloedcellen. Bloedcellen worden in het beenmerg gemaakt wat in alle botten van het lichaam zit. Normaal gesproken rijpen de onrijpe bloedcellen cellen uit in het beenmerg en worden ze daarna losgelaten in het bloed. Per dag worden miljarden bloedcellen aangemaakt doordat onrijpe cellen in het beenmerg, de zogenaamde blasten, zich delen. Ook gaan er per dag gemiddeld evenveel cellen dood zodat het aantal bloedcellen ongeveer constant blijft. Indien een van die onrijpe bloedcellen in het beenmerg op hol slaat en ongecontroleerd gaat delen ontstaan er veel te veel cellen van hetzelfde soort. Dat is leukemie.

Er zijn verschillende soorten bloedcellen; de witte bloedcellen (leukocyten; leukos betekent wit) vormen daar een van. Omdat bloedkanker het meest voorkomt in de witte bloedcellen wordt bloedkanker ook leukemie genoemd. Er bestaan ook weer verschillende soorten witte bloedcellen. Lymfocyten is daar een van. De meest voorkomende vorm van leukemie bij kinderen ontstaat in deze cellen en heet daarom lymfatische leukemie.Omdat deze leukemie zich relatief snel ontwikkeld wordt gesproken van acute lymfatische leukemie, afgekort als ALL.

Wat voor klachten horen bij ALL?
Bij ALL worden in het beenmerg enorm veel leukemiecellen aangemaakt waardoor er te weinig ruimte is voor de aanmaak van de gezonde bloedcellen. Dit leidt tot een tekort aan rode cellen (bloedarmoede) met als gevolg moeheid, algemene malaise en bleek zien. Te weinig gezonde witte cellen in het bloed leidt tot infecties en koorts. Te weinig bloedplaatjes leidt tot blauwe plekken op ongebruikelijke plaatsen of tot puntbloedingen in de huid en de mond. Uiteraard komen deze verschijnselen heel vaak voor apart voor zonder dat er sprake is van leukemie. Echter, de combinatie van deze verschijnselen kan passen bij leukemie. Bij leukemie is er ook vaak sprake van botpijn door de druk die de grote hoeveelheid leukemiecellen vanuit het beenmerg op het bot uitoefent. Ook kan bij leukemie sprake zijn van vergrote lymfeklieren, lever, milt of zaadballen en kunnen er problemen in het zenuwstelsel zijn omdat de leukemiecellen in deze organen kunnen zitten. 

Hoe vaak komt ALL voor?
ALL is de meest voorkomende vorm van kanker bij kinderen. Per jaar wordt ALL bij ongeveer 120 kinderen in Nederland vastgesteld. ALL komt op alle leeftijden voor op de kinderleeftijd van 0 tot 18 jaar, met een piek op de kleuterleeftijd, maar het komt ook voor bij volwassenen. Bij volwassenen komen echter veel vaker andere vormen van leukemie voor.

Hoe ontstaat ALL?
De oorzaak van ALL is niet bekend. Helaas bestaan er “in de volksmond” soms (onjuiste) ideeën over de vermeende oorzaak van leukemie of kanker in het algemeen bij kinderen. Deze zijn gebaseerd op onjuiste interpretaties van de feiten en zorgen vaak voor onrust en onterechte schuldgevoelens bij ouders en familieleden. Het is belangrijk om te stellen dat er veel wetenschappelijk onderzoek is gedaan maar dat heeft nog niet geleid tot het vinden van de oorzaken van leukemie. Wat wel bekend is, zijn de volgende dingen:

  • Er zijn geen factoren bekend die leukemie veroorzaakt kunnen hebben en die dus door ouders of kind voorkomen hadden kunnen worden.
  • Leukemie is niet besmettelijk en kan niet zoals een virus van de ene persoon op de andere overgaan.
  • Leukemie is niet erfelijk, met uitzondering van hele zeldzame op zich zelf staande gevallen. Andere familieleden van een kind met leukemie hebben in het algemeen dus een niet of nauwelijks verhoogde kans om leukemie te krijgen.

Een aantal zaken wordt soms in verband gebracht met het ontstaan van leukemie. Hiertoe behoren bijvoorbeeld roken van ouders, drugsgebruik, het wonen op gifgrond, het eten van voedselproducten waar toevoegingen in zitten. Van geen van deze zaken is aangetoond dat dit de kans op het krijgen van leukemie bij een kind verhoogt.

Waar wel veel over bekend is, is hoe een gezonde bloedcel zich ontwikkelt tot een leukemiecel. DNA speelt daarbij een grote rol. Alles wat er in een cel gebeurt staat onder controle van het DNA in die betreffende cel. Het DNA bestaat uit tienduizenden genen. Veel van deze genen controleren de celdeling, het uitrijpen van cellen en het uiteindelijk doodgaan van cellen. In gezonde bloedcellen kunnen beschadigingen ontstaan in deze genen. Als er teveel beschadigingen ontstaan in een en dezelfde bloedcel, gaat deze cel veel te snel delen en ontstaat er een ongecontroleerde deling. Zo ontstaat leukemie. In het algemeen heb je ongeveer tenminste zo’n 10 verschillende beschadigingen nodig in een en dezelfde bloedcel voordat een bloedcel een leukemiecel wordt. Omdat de oorzaak van deze DNA afwijkingen niet bekend is, is de oorzaak van leukemie dus niet bekend. Er is wel veel bekend over welke DNA afwijkingen er kunnen ontstaan. Omdat dat er heel veel verschillende zijn, zijn er ook veel verschillende vormen van ALL. Belangrijk is dat deze DNA afwijkingen alleen in de kankercellen voorkomen en niet in de andere cellen van het lichaam, dus bijvoorbeeld ook niet in de geslachtscellen. Daarom zijn deze DNA afwijkingen en leukemie in het algemeen niet erfelijk, het is niet over te dragen van ouder op kind of van patiënt op zijn kinderen in de toekomst. Heel soms is er sprake van het feit dat de eerste DNA beschadiging al wel in alle lichaamscellen zit en bij andere familieleden ook aanwezig is. In dat geval kan er sprake zijn van een verhoogde kans op leukemie omdat als het ware de eerste van de tien beschadigingen er al is. 

Hoe wordt de diagnose ALL gesteld?
Bij de verdenking op leukemie zal eerst bloedonderzoek gedaan worden. Daarna wordt een beenmergprik (beenmergpunctie) verricht. Op het bloed- en beenmergonderzoek wordt vastgesteld of er leukemie is en zo ja, welk soort precies. Om de uitbreiding van de ziekte te beoordelen wordt een aantal onderzoeken gedaan: een ruggenprik (lumbaalpunctie) om te onderzoeken of er leukemiecellen in het hersenvocht (liquor) zitten; een longfoto gemaakt om te kijken of er sprake is van lymfekliervergroting tussen de longen en een echo van de buikorganen zoals lever, milt en nieren.
Beenmerg, bloed en liquor wordt op verschillende laboratoria geanalyseerd om het precieze type leukemie vast te stellen. Dit is van belang voor het vaststellen van de juiste behandeling. Er bestaan verschillende types ALL. ALL kan ontstaan in T-lymfocyten of B-lymfocyten. Gesproken wordt dan van T-cel ALL of B-cel ALL. Het is heel belangrijk voor de behandeling om vast te stellen welke DNA afwijkingen er in de leukemiecellen aanwezig zijn.

Behandeling van ALL en genezingskans
Voor ieder kind met ALL is behandeling mogelijk. De behandeling bestaat uit chemotherapie met verschillende medicijnen gericht tegen de leukemiecellen. Welke medicijnen precies gebruikt worden, hoe lang en hoe zwaar de chemotherapie is, hangt af van het precieze type leukemie. De medicijnen worden deels toegediend via een infuus maar ook voor een groot deel als tabletten, drank of capsules. De chemotherapie duurt in totaal meestal 2 jaar. In de eerste maanden is de therapie het meest intensief. Het grootste deel van de chemotherapie wordt echter thuis gegeven waarbij kinderen heel vaak op de polikliniek of dagbehandeling moeten komen. In een hele kleine minderheid van de kinderen is naast chemotherapie ook een beenmergtransplantatie nodig en zeer zelden bestraling. In de laatste jaren is immunotherapie in opkomst; dit zijn antilichamen die tegen leukemiecellen gericht zijn of bepaalde afweercellen tegen de leukemie. Momenteel wordt nauwkeurig bestudeerd welke vormen van immunotherapie van voordeel kunnen zijn voor welke kinderen met ALL.

De laatste 40 jaar is de genezingskans voor kinderen met ALL enorm toegenomen. In 1960 genas 0% van de kinderen, tegenwoordig geneest meer dan 85% van alle kinderen met ALL. De precieze genezingskans voor ieder individueel kind is echter moeilijk aan te geven omdat deze afhangt van veel verschillende factoren. De belangrijkste factoren die invloed hebben op de kans op genezing zijn het soort DNA afwijking en de reactie van de leukemie op de eerste kuren chemotherapie. Op basis van deze factoren wordt bepaald hoeveel therapie een kind nodig heeft om een optimale genezingskans te hebben.

  • Van sommige DNA afwijkingen is bekend dat die samengaan met een hele goede genezingskans. Dan is er een relatief lichtere chemotherapie nodig om te genezen. Andere DNA afwijkingen leiden een agressievere vorm van ALL; dan is er zwaardere therapie nodig.
  • Het lukt bij vrijwel ieder kind om al met de eerste chemotherapie kuren de leukemie fors terug te dringen. Het aantal leukemiecellen dat na die eerste kuren nog aanwezig is wordt minimale restziekte (in het Engels 'minimal residual disease' of MRD) genoemd. Weinig restziekte (lage MRD) betekent dat de leukemie heel gevoelig is voor chemotherapie en dat de rest van de behandeling relatief lichter kan zijn. Een hoge MRD betekent dat er zwaardere chemotherapie nodig is om te kunnen genezen.

Voor de grootste groep kinderen is er een behandelschema (protocol) met verschillende vertakkingen. Iedere tak heeft een verschillende zwaarte van therapie die bepaald wordt door het soort DNA afwijking en hoe de leukemie op de eerste kuren reageert. Ook bestaan er behandelschema’s die speciaal ontwikkeld zijn voor bepaalde vormen van ALL. Voorbeelden hiervan zijn de behandelingen voor zuigelingen met ALL en voor kinderen met een bepaald soort DNA afwijking (het zogenaamde Philadelphia chromosoom) in de leukemiecellen. Zo krijgt ieder kind met ALL de therapie die voor hem of haar de meeste kans op genezing geeft.

Bijwerkingen
Chemotherapie is zeer effectief in het vernietigen van leukemiecellen, maar kan ook gepaard gaan met bijwerkingen. Omdat de behandeling van een kind met ALL afgestemd is op de genezingskans krijgt niet ieder kind dezelfde chemotherapie. De mogelijke bijwerkingen kunnen dus per kind ook verschillen.

Bij de diagnose zijn er relatief veel leukemiecellen aanwezig. Door de chemotherapie zullen in de eerste dagen dus veel leukemiecellen afgebroken worden. De afvalstoffen hiervan worden door de nieren verwerkt. Om te voorkomen dat de nieren hierdoor beschadigd raken, wordt ondersteunende behandeling gegeven met bepaalde medicijnen en is het belangrijk dat een kind voldoende vocht binnenkrijgt, eventueel via een infuus. Meer over de bijwerkingen van de bij uw kind gebruikte chemotherapie staat op de pagina’s over chemotherapie.

Controle tijdens en na behandeling
In het begin van de behandeling wordt regelmatig beenmerg en hersenvocht voor onderzoek afgenomen om te zien hoe de leukemie reageert op de behandeling. Tijdens de behandeling wordt dit ook gedaan om te controleren of de leukemie cellen weg zijn en blijven. De kans op het terugkeren van de ALL tijdens de behandeling is heel erg laag, slechts een paar procent.

Na het stoppen van de behandeling worden kinderen nog circa 5 jaar gecontroleerd op het eventuele terugkeren van de leukemie. Dit gebeurt door bloedonderzoek en lichamelijk onderzoek. In de 5 vervolgjaren komt bij circa 10-15% van de kinderen de ALL terug. Als de ziekte terugkomt (recidief ALL), dan zal op een andere, meestal zwaardere behandeling worden overgegaan. De kans op genezing is dan minder dan bij de eerste behandeling maar een groot deel van de kinderen met een recidief ALL heeft nog steeds een goede genezingskans. Na die 5 jaar na het stoppen van de behandeling is de kans op terugkeer van de ziekte minder dan 1%. Vanaf dat moment wordt geadviseerd om onder controle te blijven op de zogenaamde LATER polikliniek waar de controles gericht zijn op de eventuele late effecten van ziekte en behandeling.

Informatie bij VOKK
Klik op de onderstaande afbeelding voor de VOKK brochure

VOKK brochure ALL

Terug naar boven


Acute Myeloïde Leukemie (AML)


Wat is AML?
Leukemie is een kwaadaardige ziekte van het beenmerg. In het beenmerg bevinden zich de zogenaamde stamcellen. Dit zijn jonge bloedvormende cellen, waaruit via een aantal rijpingsstappen gezonde bloedcellen worden gevormd. Bij gezonde personen ontstaan er op die manier 3 soorten uitgerijpte cellen die we in het bloed terug vinden, de rode bloedcellen (erythrocyten), de witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes (thrombocyten). Van de witte bloedcellen bestaan er verschillende soorten met een eigen functie.
Bij AML patiënten treedt meestal in het beenmerg in de uitrijping van één van de soorten witte bloedcellen, de myeloïde cellen, een stop op. Hierdoor ontstaat een overmaat van die onrijpe witte bloedcellen, die we leukemische cellen, of myeloïde blasten noemen. Het worden er zoveel dat ze zelfs in het bloed terecht komen. Deze onrijpe cellen worden uiteraard bij gezonde mensen niet in het bloed aangetroffen.
Het woord “acute” betekent dat er in een snel tempo een grote hoeveelheid leukemische cellen worden gevormd.
Een zeldzame vorm van dit ziektebeeld is acute promyelocyten leukemie (APL), welke levensgevaarlijk is en een snelle behandeling vraagt.

Wat voor klachten horen erbij?
De abnormaal grote hoeveelheid leukemiecellen in het beenmerg bij AML verdringt de aanmaak van de andere cellen zodat er een tekort aan bloedplaatjes en/of rode bloedcellen in het bloed kan ontstaan. De klachten worden meestal veroorzaakt door het tekort aan normale bloedcellen in het bloed. Rode bloedcellen (erythrocyten) bevatten een ijzerrijk eiwit hemoglobine hetgeen zuurstof naar alle weefsels transporteert. Een tekort aan erythrocyten noemen we bloedarmoede of anaemie. Als een patiënt last heeft van bloedarmoede geeft dit aanleiding tot moeheid en kan hij/zij duizelig en kortademig worden, en/of hoofdpijn krijgen.
Witte bloedcellen (leukocyten) zijn belangrijk voor de afweer tegen infecties en ondersteunen de wondgenezing. Bij een tekort aan gezonde witte bloedcellen zal de kans op infecties dus toenemen en de wondgenezing trager verlopen.
Bloedplaatjes (thrombocyten) zijn kleine cellen in het bloed die een belangrijke rol spelen in de bloedstelping. Als er onvoldoende thrombocyten zijn zal de kans op blauwe plekken, en bloedingen van bv. slijmvliezen, zoals neusbloedingen toenemen.
Algemene klachten zijn botpijnen, koorts, algemeen ziek zijn en buikpijn. De buikpijn klachten worden mede veroorzaakt door een poging van het lichaam om de niet-optimale bloed aanmaak in het beenmerg te compenseren door aanmaak van bloedcellen in de lever en milt. Deze organen, die zich boven in de buik bevinden, zullen daardoor groter worden en pijn veroorzaken door druk op het kapsel wat om deze organen heen zit. Soms worden er ook plekjes in de huid gevonden die leukemie cellen bevatten.

Hoe vaak komt het voor?
AML op de kinderleeftijd is een zeldzame ziekte. Per jaar wordt bij 20-25 kinderen in Nederland de diagnose AML gesteld.

Waardoor wordt AML veroorzaakt?
Voor de ziekte AML is geen oorzaak bekend.

Hoe stellen we de diagnose?
Het belangrijkste onderzoek voor een patiënt die verdacht wordt van de diagnose AML bestaat uit beenmerg- en bloedonderzoek. Van bloed- en beenmerg worden druppels uitgestreken op microscoopglaasjes.
In de beenmerg en bloed uitstrijken wordt onder de microscoop gekeken naar de aard en grootte van de cellen. Tevens wordt geteld hoeveel leukemische cellen er in de uitstrijkjes aanwezig zijn. Met zgn. immunologisch onderzoek wordt nader bekeken in welk stadium de uitrijpingsblokkade plaatsvindt en om het type AML vast te stellen. Een belangrijk deel van het onderzoek bestaat uit het onderzoek naar chromosomale afwijkingen in de leukemie cellen.

Behandeling van AML
De behandeling van AML bestaat uit chemotherapie. Deze celdelingremmende medicijnen of chemotherapie worden voornamelijk via het infuus toegediend. Daarnaast krijgt de patiënt een enkele maal chemotherapie via een ruggenprik in het hersenvocht toegediend om er voor te zorgen dat de leukemie cellen daar niet terechtkomen. Slechts in sommige gevallen is een beenmerg transplantatie nodig. Bijvoorbeeld wanneer er bepaalde chromosomale afwijkingen zijn die duiden op een extra agressieve vorm van AML. Indien beenmergtransplantatie nodig is zal deze altijd worden uitgevoerd met beenmerg van iemand anders, bij voorkeur van een broer of zus.
De centrale diagnostiek, follow-up en registratie van kinderen met AML in Nederland vindt in principe plaats volgens de behandeling van SKION (Stichting Kinderoncologie Nederland). Veelal wordt daarbij samengewerkt met buitenlandse groepen. Met de huidige behandeling geneest 60-65% van de kinderen met AML.

Zijn er bijwerkingen en welke factoren hebben invloed op het succes van de behandeling?
Chemotherapie bestaat uit medicijnen die ingrijpen op de celdeling van de kwaadaardige cellen. In het lichaam komen ook gezonde cellen voor die snel delen, zoals slijmvliescellen in het maagdarm kanaal, de haarvormende cellen en de bloedcelvormende cellen in het beenmerg. Chemotherapie heeft daarom ook effect op deze cellen. Dit leidt tot nogal wat bijwerkingen, zoals voedingsproblemen, haarverlies en verminderde aanmaak van bloedcellen. De haargroei keert terug nadat de behandeling is afgerond. De verminderde aanmaak van bloedcellen kan leiden tot bloedarmoede, een verhoogde bloedingsneiging (bv. blauwe plekken en bloedneuzen) en een verminderde afweer tegen infecties. Een belangrijk onderdeel van de behandeling is het voorkómen en behandelen van infecties, het geven van bloedtransfusies, controle en op peil houden van gewicht en voedingstoestand. Hiervoor is het regelmatig nodig om sondevoeding te geven of voeding via het infuus. Voor de toediening van de medicatie wordt gebruik gemaakt van een zgn. port-a-cath. In het algemeen is de ervaring dat kinderen met AML door de medicijnen buikpijn en diarree krijgen, erg gevoelig zijn voor infecties, en moeilijk op gewicht blijven. Om die reden blijven de meeste patiënten gedurende de eerste weken in het ziekenhuis. Meer over de bijwerkingen van de bij uw kind gebruikte chemotherapie staat op de pagina’s over chemotherapie.

Informatie bij VOKK
Klik op de onderstaande afbeelding voor de VOKK brochure

VOKK niet-lymfatische leukemie

Behandeling gerelateerde informatie bij AML en Down syndroom
AML en Down syndroom

Terug naar boven


Chronische Myeloïde Leukemie (CML)

Welke klachten horen bij CML?
Bij CML worden in het beenmerg enorm veel leukemiecellen aangemaakt waardoor er te weinig ruimte is voor de aanmaak van de gezonde bloedcellen. Dit leidt op termijn tot een tekort aan rode cellen in het bloed (bloedarmoede) met moeheid, algemene malaise en bleek zien als gevolg. Te weinig gezonde witte cellen in het bloed leidt tot infecties en koorts. Te weinig bloedplaatjes leidt tot grote blauwe plekken of bloeduitstortingen op ongebruikelijke plaatsen of tot puntbloedingen in de huid en de mond. Uiteraard is het zo dat de aanwezigheid van slechts een van de verschijnselen niet past bij leukemie. Echter, bij de combinatie van verschijnselen die passen bij de drie verschillende soorten bloedcellen wordt gedacht aan de mogelijkheid dat er iets mis is op de plaats waar deze bloedcellen gemaakt worden, het beenmerg. Bij leukemie is er ook vaak sprake van botpijn door de druk die de grote hoeveelheid leukemiecellen vanuit het beenmerg op het bot uitoefent. Ook kan bij leukemie sprake zijn van opgezette lymfeklieren en een vergrote lever en milt doordat de leukemiecellen in deze organen kunnen zitten.

Hoe stellen we de diagnose CML?
Het belangrijkste onderzoek voor een patiënt die verdacht wordt van de diagnose CML bestaat uit beenmerg- en bloed onderzoek. In de beenmerg en/of bloed cellen wordt een toename gezien van de opeenvolgende uitrijpingsstadia van de witte bloedcellen en wordt een specifieke chromosoom verandering vastgesteld: een uitruil van een deel van chromosoom 9 en chromosoom 22, ook wel Philadelphia chromosoom, afgekort Ph+, genoemd. Dit chromosoom produceert een uniek eiwit, het zogenaamde BCR-ABL eiwit dat ook in het bloed gemeten kan worden en zo een maat is voor de activiteit van de ziekte. Slechts bij 2% van de patiënten die toch een CML hebben wordt deze chromosoom afwijking niet gevonden.

Hoe vaak komt CML voor?
CML is een weinig voorkomende vorm van leukemie op de kinderleeftijd. Slechts 2% van de kinderen met leukemie heeft CML. Per jaar wordt CML bij ongeveer 2 kinderen in Nederland vastgesteld.CML komt op alle leeftijden voor, op de kinderleeftijd van 0 tot 18 jaar maar met name bij volwassenen.

Waardoor wordt CML veroorzaakt?
De oorzaken van CML zijn niet bekend hoewel er “in de volksmond” verschillende (onjuiste) ideeën bestaan over hoe leukemie of kanker in het algemeen bij kinderen ontstaat. Deze ideeën zijn helaas vaak gebaseerd op onjuiste verkeerde interpretaties en zorgen vaak voor grote onrust en ook onterechte schuldgevoelens bij ouders en familieleden. Het is belangrijk om te stellen dat veel wetenschappelijk onderzoek nog niet heeft geleid tot de oorzaken van leukemie. Het is belangrijk om op basis van uitgevoerd onderzoek een aantal dingen vast te stellen: Er zijn geen zaken bekend die de ziekte veroorzaakt kunnen hebben en die dus door ouders of kind voorkomen hadden kunnen worden. Leukemie is niet besmettelijk en kan niet zoals een virus van de ene persoon op de andere overgaan. Leukemie is niet erfelijk met uitzondering van hele zeldzame op zich zelf staande gevallen. Andere familieleden van een kind met leukemie hebben in het algemeen dus een niet of nauwelijks verhoogde kans om leukemie te krijgen. Een aantal zaken wordt in de “volksmond” vaak in verband gebracht worden met het ontstaan van leukemie. Hiertoe behoren bijvoorbeeld roken van ouders, drugsgebruik, het wonen op gifgrond, het eten van voedselproducten waar toevoegingen in zitten. Van geen van deze zaken is aangetoond dat dit de kans op het krijgen van leukemie bij een kind verhoogt. Alles wat er in een cel gebeurt staat onder controle van de chromosomen in die cel. Dit geldt zeker ook voor de celdeling, het uitrijpen van cellen en het uiteindelijk doodgaan van cellen. Bij leukemie is er sprake van ongecontroleerde celdeling in onrijpe bloedcellen doordat er sprake is van afwijkingen in de chromosomen van de leukemiecellen. Deze afwijkingen zitten op stukjes van chromosomen (genen), die normaal gesproken de celdeling, uitrijping en doodgaan van cellen regelen. De oorzaak van leukemie heeft dus te maken met deze afwijking in de chromosomen. De specifieke chromosoomafwijking, BCR-ABL, komt uitsluitend in de kankercellen voor en hebben dus niets met erfelijkheid te maken. Alle andere cellen in het lichaam van het kind hebben normale chromosomen. Waarom deze chromosoomafwijkingen (en dus leukemie) ontstaan is zoals boven gesteld helaas niet bekend. We maken onderscheid tussen een chronische fase, een geaccelereerde fase en een blasten crise. De behandeling wordt gegeven op maat voor de verschillende fasen.

Behandeling van CML
Voor ieder kind met CML is behandeling mogelijk. De behandeling bestaat uit Glivec dat direct tegen de leukemiecellen gericht is. Soms wordt dit gecombineerd met chemotherapie. De medicijnen bestaan voor een groot deel uit tabletten, drank of capsules en kunnen dus in de thuissituatie gebruikt worden. De behandeling duurt in totaal minstens 2 jaar. In de eerste maanden is de therapie het meest intensief omdat uw kind nog zo ziek is. Als de ziekte onder controle komt zal het grootste deel van de behandeling thuis gegeven worden waarbij kinderen regelmatig op de polikliniek of dagbehandeling moeten komen. Soms is naast chemotherapie ook een beenmergtransplantatie nodig. Bijna alle kinderen met CML worden behandeld volgens het landelijke protocol van de SKION als onderdeel van een internationaal protocol. Een protocol bevat richtlijnen voor onderzoek en de wijze van behandeling.

Kansen op genezing
De laatste 40 jaar is de genezingskans voor kinderen met CML enorm toegenomen. In 1960 genas minder dan 5% van de kinderen, tegenwoordig geneest ongeveer 60-80% van alle kinderen met CML. De precieze genezingskans voor ieder individueel kind is echter moeilijk aan te geven omdat deze afhangt van veel verschillende factoren. Factoren die invloed hebben op de kans op genezing zijn onder andere de volgende: de leeftijd, het geslacht, het aantal leukemiecellen bij diagnose, de eventuele uitbreiding van de leukemie naar het zenuwstelsel of de zaadballen, het type leukemie en het soort chromosoomafwijking in de leukemiecellen. Zeer belangrijk is ook de eerste reactie van de leukemie op de behandeling. Dit wordt bijvoorbeeld bepaald door de afname van de hoeveelheid leukemiecellen te meten in bloed of beenmerg in de eerste weken van de behandeling. Ook kan dit gedaan worden door met nieuwe, hele gevoelige technieken de aanwezigheid van zeer kleine hoeveelheden leukemiecellen in het beenmerg te bepalen. Dit heet minimale restziekte, ofwel in het engels Minimal Residual Disease (MRD).

Bijwerkingen
Chemotherapie is zeer effectief in het vernietigen van leukemiecellen, maar kan ook gepaard gaan met bijwerkingen. Omdat de behandeling van een kind met CML afgestemd is op de genezingskans krijgt niet ieder kind precies dezelfde chemotherapie. De mogelijke bijwerkingen kunnen dus per kind ook verschillen. Meer over de bijwerkingen van de bij uw kind gebruikte chemotherapie staat op de pagina’s over chemotherapie en in de dagboekagenda van de vereniging ouders, kinderen en kanker (VOKK) die u bij het begin van de behandeling krijgt.


Informatie bij VOKK
Klik op de onderstaande afbeelding voor de VOKK brochure

VOKK niet-lymfatische leukemie

Terug naar boven